Bekentenissen van een verontrust Mariakind
door André van der Braak
“Das
Ewig-Weibliche zieht uns hinan”, Goethe, Faust.
Mijn ouders waren katholiek, maar niet fanatiek. Mijn moeder beleefde het
geloof vooral via Maria, dat had ze weer van haar moeder. Er liep een Marialijn
door de vrouwelijke kant van onze familie. Mijn ouders stelden kerkbezoek voor de
kinderen niet verplicht. Mijn jongere broer en zussen haakten dan ook al snel
af, maar ik bleef gaan, tot Krishnamurti me op m’n zeventiende van het katholieke
geloof afbracht.
Vanaf die tijd zocht ik het in het Oosten. TM, yoga, advaita vedanta,
boeddhistische meditatieleraren, spirituele leermeesters, het kon allemaal niet
op. Maar op m’n vijfendertigste, na elf jaar bij een Meester in de leer te zijn
geweest die uiteindelijk toch geen echte Meester bleek te zijn, was ik weer
terug bij af. Alle meditaties, spirituele ervaringen, meetings en
feedbacksessies hadden me uiteindelijk gebracht tot een plek waar ik me
moederziel alleen voelde. In mijn gemeubileerd zolderkamertje drie hoog in
Amsterdam-Zuid voelde ik me spiritueel gezien in een troosteloze woestenij.
Op een foeilelijk Perzisch tapijtje legde ik mijn
meditatiekussentje neer, ik pakte mijn mala, nog uit 1991 van de
dorpsmarkt in Bodh Gaya, en wendde me tot een oude bekende: “Wees gegroet
Maria, vol van genade, de heer is met U. Gij zijt de gezegende onder de vrouwen, en gezegend
is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons
zondaars, nu, en in het uur van onze dood, amen.” De tranen stroomden over mijn
wangen, en hoewel ik een diepe verlorenheid voelde, was mijn eenzaamheid toch
eventjes gemakkelijker te dragen.
De jaren daarna vond ik geleidelijk aan de weg naar de zendo, en mijn
spirituele hart werd weer nieuw leven ingeblazen. Maar ik bleef mijn gesprekken
met Maria voortzetten, bijvoorbeeld tijdens bezoeken
aan de trappisten in Echt. En ik merkte dat Maria ook in de zentraditie geen
onbekende was. Ik kwam haar tegen als Kanzeon en Kuanyin. Maar Kuanyin bood me
niet alleen vertroosting. Ik voelde ook een appèl van haar uitgaan dat me ten
diepste verontrustte. Het was alsof ze voortdurend liefdevol aan mijn geweten
knaagde en me uitdaagde om mijn egocentrisme opzij te zetten. Ze appelleerde
keer op keer aan een diep hartsverlangen dat in me leefde om mijn hart
opengebroken te laten worden, en “een nieuw hart in mij geboren te laten
worden”. Toen ik in juli 2006 jukai deed, en Niko me vroeg of ik een
voorkeur had voor een dharmanaam, koos ik “hij die verontrust is door Kuanyin”.
Terwijl ik gestaag doorging met mijn
zenbeoefening, vond Maria nieuwe wegen om tot mijn hart door te dringen. Op de sesshins met
Sinds afgelopen augustus doe ik regelmatig mee met trabalhos
(“werken”) van de Santo Daime, een Braziliaans-katholieke groep die in hun
rituelen de ayahuasca-thee als sacrament gebruikt. De bijeenkomsten worden
geopend en besloten met het Onze Vader en het Wees Gegroet Maria. De daime (de
Braziliaanse naam voor de ayahuasca-thee) wordt gezien als lerares die je de
weg wijst en je helpt om obstakels in jezelf te overwinnen. Voor mij smelt de daime
samen met Kuanyin en Maria. Ze weet de weg naar mijn hart te vinden en houdt me
een spiegel voor, soms inspirerend, soms confronterend, maar altijd liefdevol.
Ze duwt me de eenzaamheid in maar troost me dan ook weer. Ze geeft me kracht en
moed om me ten diepste te laten verontrusten door de bodhisattva-gelofte om
alle levende wezens te bevrijden. Ze rukt de beschermende teflonlagen van me af,
maar draagt me vervolgens als een pasgeboren baby in haar armen.
“Je bent toch echt een Mariakind”, zei Ton Lathouwers tegen me. Waar en wanneer ze zich ook aan mij presenteert, op het kussen, in
de kloostertuin in Steyl, in de gebarsten kralen van mijn mala, of in
een klein theeglaasje, ik probeer haar lessen op te vangen en in praktijk te
brengen. Hoe verontrustend die lessen ook mogen zijn.