Go for kensho
Door André van der Braak
In mijn alweer laatste bijdrage in deze weblog-serie wil ik afsluiten met een voorbeeld van de manier waarop het boeddhisme in het Westen zich aanpast aan onze verwachtingen.
Een van de bekendste boeddhistische bewegingen in het Westen is het uit Japan afkomstige zenboeddhisme. Vaak hoor je zeggen dat zen zich richt op de zuivere religieuze ervaring, van culturele en historische smetten ontdaan. In zen wordt, voorbij woorden en geschriften, een directe ervaring van Verlichting nagestreefd.
Ongeveer 90% van de Westerse aandacht voor zen is gericht op de Sanbo Kyodan (drie juwelen) school. Deze school werd in 1954 opgericht door de Japanse zenleraar Yasutani Hakuun. Yasutani beschouwde het monastieke zenboeddhisme in Japan als verkalkt en ingeslapen, en Sinds 1900 is het Japanse zenboeddhisme in het Westen bekend geworden, onder andere dankzij de vele boeken van de Japanse geleerde D.T. Suzuki. Vorige week stelde ik dat de Westerse lezing van het boeddhisme als een doe-het-zelf pad naar bevrijding wel erg selectief is. Deze week wil ik daarvoor een aantal oorzaken aandragen. Deze hebben alle te maken met het feit dat het begrip ‘religie’ de afgelopen eeuwen in toenemende mate is vervangen door ‘het religieuze’.
In hun recente boek Selling spirituality geven de Britse auteurs Jeremy Carrette en Richard King drie ontwikkelingen aan in de westerse houding tegenover religie sinds de zeventiende eeuw. Ten eerste een privatisering van religie. Filosofen als Locke wilden religieuze conflicten uit het publieke domein bannen. Uiteindelijk resulteerde dit in de scheiding van kerk en staat. Tegenwoordig is religie voor veel mensen niet langer het lid zijn van een kerk, maar een zaak van persoonlijke instemming met bepaalde overtuigingen. Deze keuze wordt als strikt privé beschouwd. Ieder kiest voor zijn eigen vormgeving van ‘het religieuze’, zonder zich gebonden te achten aan bestaande religies. De solo-religieus is de meest recente manifestatie daarvan. Het boeddhisme als doe-het-zelf religie past naadloos binnen deze trend.
Ten tweede een psychologisering van religie. Met de opkomst van de psychologie rond 1870 werd de ervaring (met name de mystieke ervaring) de belangrijkste component van religie. William James droeg daar in belangrijke mate toe bij met zijn boek The varieties of religious experience. Het spreken over religie werd vervangen door het spreken over mystiek. Het exotische Oosten, en met name het boeddhisme, bleek uitermate geschikt als projectiescherm voor de westerse honger naar mystieke ervaringen. Zo ontstond bijvoorbeeld de notie van de ‘zuivere ervaring’ die men in de zenmeditatie deelachtig kon worden, pure religiositeit zonder culturele ballast.
Ten derde de vercommercialisering van ‘het religieuze’. Het woord ‘mystiek’ is sinds de jaren tachtig in populariteit voorbijgestreefd door het woord ‘spiritualiteit’. Religie als individuele geprivatiseerde ervaring gaat hier samen met de hang naar zelfontplooiing. De spirituele consument van vandaag de dag komt met name in het boeddhisme aan zijn trekken. Geen dogma’s, geen kerk, geen verplichtingen. Lekker thuis op een meditatiekussentje plaatsnemen. Geen wonder dat het aantal Bewust Ongebonden Boeddhisten (BOB) in Nederland veel groter is dan het aantal boeddhisten dat lid is van een sangha.
‘Het religieuze na de religie’ wordt voor velen vandaag de dag ingevuld met een seculiere spiritualiteit. Men beoefent meditatie zonder ‘ergens in te geloven’. Maar voor veel vormen van spiritualiteit kun je je afvragen: kan dit nog wel religieus worden genoemd? Of moet het veeleer als therapeutisch worden geschouwd? En wat gaat daarmee verloren?