Het boeddhisme: een panacee voor
het Westen?
Door André van der Braak
Simon Vestdijk voorzag in zijn uitgebreide essay De toekomst der religie, geschreven in 1943 tijdens zijn verblijf van enkele maanden in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, met profetische blik de teloorgang van het christendom in onze Nederlandse cultuur. Hij beschouwde een (gemodificeerd) boeddhisme als een mogelijke religie van de toekomst.
Vandaag de dag lijkt die voorspelling veel minder vergezocht dan toen. Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft het boeddhisme snel aan populariteit gewonnen in het Westen. De beatgeneratie en de hippies gingen op zoek naar Verlichting in het Oosten. In Nederland was het Jan Willem van de Wetering die naar Japan trok op zoek naar een zenmeester.
Van de niet-westerse religies is het boeddhisme zo onderhand een van de bekendste geworden. Wie kent de Dalai Lama niet? En meditatie is lang niet meer zo geheimzinnig als een paar decennia geleden. “Meditatie – goed voor u!” roepen publiekstijdschriften als de Happinez ons toe. Maar is het boeddhisme inderdaad de panacee voor de zingevings-arme moderne mens? Minder stress en meer zin, is dat wat het boeddhisme ons te bieden heeft?
De komende weken wil ik daar met u kritisch over van gedachten wisselen. Zelf ben ik in 1981, als katholiek opgevoede filosoof, met boeddhistische meditatie begonnen. Aanvankelijk met de blijde verwachting dat de verlichting zich met gezwinde spoed zou aandienen. Gaandeweg met skeptische vragen en twijfels. En vandaag de dag met hernieuwd elan, maar dan wel nadrukkelijk als christelijke westerling. Want waar je gevallen bent, daar blijf je. Maar soms kunnen verre reizen in den vreemde je helpen om je eigen stek helderder te gaan zien.