Het fabeltje van een diploma

 

door André van der Braak

 

Het begrip “transmissie” heeft in de zentraditie een beladen betekenis. Zoals Ad van Dun elders in deze Zensor beschrijft, wordt het nogal eens verbonden met satori of verlichting. Het krijgen van transmissie wordt dan gezien als het ontvangen van een “zegel van verlichting”. Iemand die transmissie heeft gekregen is dan gecertificeerd verlicht. Dat dit tot vreemde taferelen kan leiden heeft bijvoorbeeld de geschiedenis rondom Baker Roshi uitgewezen. Als abt van het San Francisco Zen Center kon hij zich te buiten gaan aan talloze affaires met leerlingen en financieel wangedrag zonder dat iemand hem erop durfde aan te spreken: hij had immers transmissie gekregen …

 

Veel mensen pleiten er daarom tegenwoordig voor om “transmissie” wat nuchterder te benaderen: als een lerarendiploma, of een teken dat iemands zen-opleiding is afgerond. Er wordt dan wel verwezen naar de situatie in Japan, waar het krijgen van dharma-transmissie vergelijkbaar is met het afronden van het groot seminarie bij ons in het Westen. Toch ligt de zaak wat gecompliceerder dan dat. De bijzondere status van de term “transmissie” zit namelijk in het hart van de zentraditie zelf.

 

De Canadese zen-scholar Albert Welter heeft onderzoek gedaan naar de Chinese geschiedenis van de zentraditie. In de elfde eeuw woedde er in China een verwoede strijd tussen aanhangers van verschilllende zengroeperingen over wat de essentie van zen was. De heersende opinie was die van de aanhangers van Fayan (885-958): zen kon een veelheid aan boeddhistische praktijken omvatten. Het was een kwestie van upaya (vaardig hulpmiddel) welke praktijk het meest geschikt was voor een bepaalde beoefenaar. Zen was dus compatibel met andere vormen van boeddhisme. Aanhangers van Linji (d. 860) hadden echter een radicaal andere visie op zen: het was een “aparte praktijk buiten de boeddhistische leer om” (jiaowai biexing): zen had niets te maken met andere boeddhistische scholen, maar stond daar ver boven.

 

Een iets andere variant op deze uitspraak werd een beroemd zen-motto: zen is een “aparte transmissie buiten de boeddhistische leer om” (jiaowai biechuan). Het ware inzicht van zen kan nooit via sutra’s worden onderricht, maar is een woordenloze realisatie die rechtstreeks van leraar op leerling wordt overgedragen. Deze zen-opvatting van de Linji-school werd dominant in de loop van de elfde eeuw. De literati aan het hof waren gefascineerd door deze nieuwe benadering die de vloer aanveegde met intellectuele studie en boeddhistische geschriften. Juist omdat zen zo radicaal verschillend was van andere boeddhistische scholen werd het zo populair. En het idee van transmissie maakte daar een cruciaal onderdeel van uit.

 

Er kwam ook al snel een nieuw verhaal in omloop dat deze opvatting onderbouwde: de Boeddha gaf eens les door te blijven zwijgen en een bloem omhoog te houden. Alleen Mahakashyapa begreep het en glimlachte. De Boeddha benoemde Mahakashyapa tot zijn opvolger. Dit was de eerste aparte transmissie buiten de boeddhistische leer om. Ze werd gevolgd door vele transmissies van leraar op leerling: zo ontstond de lineage van zenpatriarchen.

 

Het is te gemakkelijk om te concluderen dat die aparte transmissie dus maar een fabeltje was. Want of het verhaal over Mahakashyapa nu wel of niet “waar gebeurd” is, er is wel degelijk iets heel kostbaars doorgegeven in al die generaties van zenleraren en hun leerlingen. En om uitdrukking te blijven geven aan dit mysterie moeten we onvermijdelijk een vorm kiezen. In de elfde eeuw werd in China een bepaalde afslag genomen die een zekere mystificatie rondom transmissie aanbracht. Als de aanhangers van Fayan het hadden gewonnen, had transmissie nu wellicht een heel andere vorm gehad. De vraag is: welke afslag nemen wij in het Westen als het gaat om transmissie? Welke vorm geven wij aan dit mysterie dat het levensbloed vormt van de zentraditie? Alleen lerarendiploma’s uitdelen doet er toch niet echt recht aan. Maar hoe moet het dan wel?

 

Zelfs de Boeddha kan het ons niet vertellen …