Het redelijke beest

 

Door André van der Braak

 

De maand april is traditiegetrouw uitgeroepen tot de maand van de filosofie. Thema dit jaar is ‘het redelijke beest’. Aristoteles zei het al: de mens is een dier, een redelijk dier. Hoe dit dier te temmen? De westerse filosofie heeft het eeuwenlang met de rede geprobeerd. Maar de twintigste eeuw heeft geleerd dat een overcultivering van redelijke procedures en beheersing leiden tot een nieuwe vorm van geweld.  Onder leiding van Adolf Eichmann werden vele joden naar de gaskamers gestuurd. Maar hij zorgde er alleen maar voor dat de treinen op tijd reden. Het redelijke beest lijkt humaner, maar is nog altijd even bruut.

 

Wat heeft het boeddhisme bij te dragen aan het temmen van ‘het redelijke beest’? In de Pali-canon van het oudste boeddhisme lijkt de zaak vrij eenvoudig. We lezen dat ons lijden veroorzaakt wordt door begeerte, haat en onwetendheid. We gedragen ons soms beestachtig, omdat we allerlei onjuiste opvattingen over de werkelijkheid koesteren. Vanuit onze identificatie met ons ‘ik’ blijven we de dingen hardnekkig als bestendig ervaren.

 

Het achtvoudige pad is erop gericht om daar een einde aan te maken. Door juist voornemen, juist ethisch gedrag, een juiste meditatiebeoefening, en een voortdurend onderzoek naar de werkelijkheid kunnen we bevrijding bereiken, het uitdoven van de zelfzuchtige beestachtige impulsen in ons. We realiseren inzicht in vergankelijkheid en niet-zelf, en daardoor wordt het beest in ons niet langer gevoed. Inderdaad: met onze rede temmen we het beest.

 

In het Mahayana worden de zaken al iets ingewikkelder. Daar wordt veel meer de nadruk gelegd op de beperkingen van onze rede. Keer op keer lezen we in de soetra’s dat al die mooie concepten en begrippen van het oudste boeddhisme verwijzen naar een werkelijkheid die ‘leeg’ is: met geen pen te beschrijven, door geen gedachte te vangen, en met geen enkele strategie te beheersen. Ook het mysterie dat wij zelf zijn kunnen we onmogelijk netjes inpassen in allerlei redelijke procedures. Sterker nog: we gebruiken onze rede juist vaak om onszelf houvast en een gevoel van schijnzekerheid te verschaffen, temidden van een ‘ontembare’ werkelijkheid.

 

De boeddhistische tantra (zoals bijvoorbeeld in het Tibetaanse boeddhisme) trekt daar de uiterste consequentie van. Om tot bevrijding te komen kunnen we juist gebruik maken van die beestachtige impulsen in onszelf. Agressie, jaloezie, rivaliteit, egoďsme, al deze emoties vormen juist de brandstof die we nodig hebben om het inzicht van de leegheid te kunnen laten ontstaan. Ook in zen gaat het er niet om het beest mens te temmen. Alles is erop gericht om ons een blik te doen werpen op onze ware natuur, ons ware gezicht dat we hadden voordat onze ouders geboren werden. De zenmeesters uit de koans schreeuwen het ons toe, ze schuwen geen enkel middel om ons wakker te schudden uit onze beestachtige dromen.

 

Tijdens de Nacht van de Filosofie, op zaterdagavond 31 maart in Felix Meritis in Amsterdam, zal zenboeddhist Jan Bor met zijn medefilosoof Menno Lievers in debat treden. Is het mogelijk om boven het denken uit te stijgen, en zo een werkelijkheid voorbij het denken te ervaren? Kan het beest in ons oplossen in het Niets? De mystici van alle tijden zeggen van wel.

 

Maar voordat we onszelf laten opstijgen in een roze wolk ‘voorbij goed en kwaad’, is het misschien toch goed om nog even met beide benen op de grond te blijven staan. Ook boeddhisten van alle tijden hebben zich schuldig gemaakt aan beestachtig gedrag, helemaal niet zo vreedzaam, ondogmatisch en tolerant als wij boeddhisten graag zouden willen.

 

Daarom moeten we misschien de koan van het beest in onszelf, onze nodeloze wreedheid, onze achteloze zelfzucht, niet te snel willen oplossen. Hebben boeddhisten daar wel echt een antwoord op? Misschien moeten we wel bekennen: dat weet ik niet. Zou juist dat niet-weten misschien niet de boeddhistische bijdrage aan de discussie kunnen zijn?