12 december 2023

Ik wilde vanavond een beetje terugkijken op waar we het over hebben gehad sinds september. Ik wil ook vooruitkijken op waar we het over gaan hebben vanaf januari. We hebben de eerste vier delen gedaan van David Hintons boek. We zijn begonnen met de Taoïstische oorsprong van de I Ching, de Tao Te Ching, Chuang Tzu en de fundamentele taoïstische begrippen van de Tao van het Wu Wei; het niet handelen, het niet doen, maar ook het handelen vanuit de verbinding met de Tao, het handelen vanuit verbinding met afwezigheid. We praatten ook over het zwerven, vrij en blij. Het zijn allemaal begrippen die enorm doorwerken in de latere Chan traditie. We hebben het ook gehad over de taoïstische school van het duistere mysterie, die aansluit bij die gedeelten uit de Tao Te Ching, die het hebben over het duister mysterie en over niet weten. Dan de geboorte van Chan in de vierde en vijfde eeuw. Die vroege denkers die probeerden om dat binnenkomende boeddhisme met taoïstische begrippen te vertalen. Dat ging aanvankelijk een beetje onbeholpen, maar die vertalingen werden steeds beter. Dan de beginnende Chan, Bodhidharma, de derde zen patriarch die de Hsin Hsin Ming heeft geschreven, en dan de Hart Soetra.

Het zijn allemaal nog beginnetjes van de Chan, maar zonder dat daar echte concrete personen bij komen kijken van vlees en bloed. Bodhidharma is niet echt een persoon van vlees en bloed. Dat is een mythisch figuur waar verhalen over worden verteld. Misschien moet je zeggen: “Het is een literair personage.” Steeds zien we weer dat het die taoïstische begrippen zijn die terugkomen en dat het steeds weer opnieuw gaat over verbinden, over resoneren. Hoe kun je resoneren? Hoe kun je respons geven? Hoe kun je je verbinden met de tienduizend dingen? Het blijkt steeds weer opnieuw dat er eigenlijk geen methode voor is, dat er geen weg voor is. De echte Chan traditie in China begint eigenlijk pas in de zevende of achtste eeuw. Ik bedoel daarmee dat er echt een groep mensen komt die zichzelf ook benoemt als: “Wij horen bij de Chan school.” Die mensen die gaan allemaal teruggrijpen op Huineng, de zesde zen patriarch en zijn verhaal: De Platform Soetra. Dit is de eerste echte Chan soetra. We gaan daar veel over spreken tijdens de studiesesshin.

We hebben een paar jaar geleden in de studiesesshin de Platform Soetra gelezen in de vertaling van Red Pine. Die heeft daar een mooie Engelse vertaling van geschreven, met commentaar erbij. Deze vertaling is nog steeds van harte aanbevolen. Het is niet zo dat die vertaling van Red Pine niet goed is, maar David Hinton vertaalt bepaalde kernbegrippen op een andere manier. Hij leest het een beetje anders. Dat betekent niet dat wat Red Pine heeft gelezen of vertaald, fout is. Misschien moet je zeggen dat Red Pine meer een traditionele boeddhistische lezing heeft van de Platform Soetra, dus dat hij het ook relateert aan boeddhistische begrippen. Dat hij de boeddhistische begrippen uitlegt en de achtergrond aangeeft. Dat is enorm informatief en enorm behulpzaam om het te kunnen plaatsen binnen de boeddhistische traditie. Red Pine vertaalt het echt als een boeddhistische soetra. David Hinton denkt daar iets anders over. Hij zegt: “Dat is meer de oppervlakte, die boeddhistische begrippen, maar daaronder zit dat hele taoïstische denken.” Dat is die kosmologie die wij steeds hebben besproken. Die kun je ook in de Platform Soetra terugvinden. In de studiesesshin meer daar over. Het is ook heel mooi om die vertalingen naast elkaar te lezen en allebei te gebruiken.

In de ontwikkeling van de Chan school werd naar aanleiding van de Platform Soetra een enorm onderscheid gemaakt tussen de noordelijke school en de zuidelijke school van de Chan. Dat had ook te maken met de geografische scheiding van het noorden en het zuiden van China. De zesde zen patriarch was een ongeletterde jongen uit het zuiden van China. De zuiderlingen werd ook wel barbaars genoemd. De mensen van het noorden van China waren meer de stadsmensen. Die woonden in de grote steden. Die waren wat wereldser en vertrouwd met het hof. Zij worden meer geassocieerd met de noordelijke school van Chan.

De geleerden zijn nog steeds met elkaar in discussie hierover. Want sommige geleerden zeggen: “Er heeft eigenlijk nooit echt zo’n noordelijke school bestaan. Het is een soort denkbeeldige tegenstanders die sommige van de zenmeesters hebben opgezet om zich tegen af te zetten.” Zo van wat ze in het noorden doen, dat is niet de echte Chan, maar wat wij doen van de zuidelijke school, dat is de echte Chan. Dus ook hier is het maar de vraag van ja, zo’n heel conflict tussen Noord en Zuid, heeft dat nou echt historisch bestaan of is het meer een manier om iets duidelijk te maken?

Het heeft te maken met een andere beroemde soetra van zen meester Shitou over de identiteit van eenheid en veelheid. Shitou leefde wat later in de negende eeuw. In dat gedicht komt naar voren, er is niet zoiets als een noordelijke of een zuidelijke leraar. Met andere woorden het speelde wel degelijk als een issue, het was een ding. Maar er wordt benadrukt, daar gaat het niet om. Dat hele idee van de noordelijke school die niet echt is en de zuidelijke school die dat wel is, wordt ook vaak gelijkgesteld aan de geleidelijke benadering en de onmiddellijke benadering, de indirecte benadering en de directe benadering. De geleidelijke benadering, dat zou dan de wat meer conventionele benadering zijn: “Verlichting realiseren is gewoon een kwestie van gestaag verder gaan, stapje voor stapje. Je volgt het boeddhistische pad, je doet de beoefening en dan kom je steeds een stukje verder. Steeds minder onwetendheid en minder haat en begeerte. Uiteindelijk bereik je de volledige verlichting.” Dus dat is meer de traditioneel boeddhistische visie. Die zuidelijke school zei van wij zijn van de onmiddellijke benadering. De plotselinge benadering, de directe benadering. Dat betekent geen pad, geen methode, niet op weg gaan naar iets, maar iedere keer weer opnieuw, wakker worden, wakker worden, wakker worden. Dat is een heel belangrijk onderscheid.

Wat David Hinton ook zegt met die noordelijke en zuidelijke school: “De tegenstelling is ook een beetje tussen gedomesticeerde zen en wilde zen. Dus de noordelijke zen, waar dan een beetje op werd neergekeken, waren de zen meesters die zich aan het hof lieten fêteren. Die op bezoek gingen bij de keizer, en belangrijke mensen allerlei dharma praktijken en meditatieoefeningen gaven om de dharma te beoefenen. Dat was een beetje meer beschaafd, gecultiveerd. Het was een zen waar de scherpe randjes vanaf waren gehaald. Het was een salonfähiger zen met de goede etiquette. In China is etiquette heel belangrijk. Je zou misschien bijna zeggen een confucianistische zen. Met inachtneming van het juiste gedrag, de juiste etiquette, de juiste harmonie. De zuidelijke zen zei: “Wij zijn de wilde jongens. Wij hebben lak aan de etiquette. Wij hebben lak aan het gepolijste verhaal, aan de gepolijste meditatiebeoefening. Wij zijn onvoorspelbaar. Wij zijn wild.” Dus er is een wilde zen en een gepolijste zen. Het derde onderscheid is dat bij die zuidelijke zen de beoefening zich afspeelde in de wildernis, in de bergen. De bergen in China zijn vaak een metafoor voor het bos en het (oer)woud. Dat is weer een aanduiding voor het ongecultiveerde, het ongestructureerde. Datgene waar de beschaving nog niet tot is doorgedrongen.

De Noordelijke zen, dat was dan meer de beschaafde zen en de gecultiveerde zen en de intellectuele zen. De zen van de mooie verhalen enzovoort. Eigenlijk sinds de Platform Soetra wordt er keer op keer gezegd: “Wij zijn de wilde zen, wij zijn van de wildernis en wij zijn van de directe benadering.” Dus geen methode, technieken en beschaving maar echt een beetje weg daarvan. Dat wordt heel erg belangrijk. Dat is interessant, want eigenlijk komt dat heel dicht bij de oorsprong van het boeddhisme. Want dat is wat de Boeddha deed. Prins Siddhartha verliet het paleis. Hij verliet zijn comfortabele leventje. Hij verliet zijn comfortzone. Hij leefde in een soort gouden kooi, hij was van alle gemakken voorzien. Wat wij vandaag de dag zouden noemen all inclusive. Al zijn verlangens werden bevredigd en hij voelde, ik moet hier weg. Hier zal ik de dharma nooit realiseren. Hier zal ik nooit verlichting realiseren, want mijn bestaan is te comfortabel, te beschaafd, te gecultiveerd. Ik moet het bos in. Toen werd prins Siddhartha bosyogi. Hij gaf zijn dure kleren weg, hij schoor zijn haar af en hij ging het leven leiden van een bedelaar. Het verhaal van de prins en over de Boeddha is geen historische verhaal. Maar daarom des te belangrijker, want dat verhaal wordt keer op keer op keer herhaald. De prins ging weg uit zijn comfortzone. Hij ging het bos in en hij zwierf rond als een bedelaar. Dus dat was eigenlijk ook al een soort zwerven, vrij en blij wat prins Siddhartha deed. Zo vond hij verlichting. Hij studeerde bij verschillende leermeesters, maar die liet hij allemaal achter zich. Hij beoefende verschillende methoden, maar uiteindelijk wees hij die allemaal van de hand als niet toereikend. Toen ging hij onder een boom zitten. Hij ging gewoon zitten en hij zei: “Ik sta niet op totdat ik de verlichting heb bereikt.” Na zeven maal zeven weken bereikte hij de volledige verlichting. Nogmaals, het gaat er niet om of het verhaal waargebeurd is, maar het gaat erom dat dat verhaal steeds wordt herhaald.

Dat verhaal resoneert, want het zegt iets heel belangrijks. Om wakker te worden moet je de wildernis in, moet je het bekende achterlaten, moet je je comfortzone achterlaten. Dus dat was al zo vanaf het allereerste begin. Ook toen prins Siddhartha de Boeddha was geworden, zwierf hij rond in India met zijn monniken, zijn bhikkhu’s. Pas na een tijdje, na lang aandringen, toen wat rijkere volgelingen zeiden van ja in die regentijd, als het drie maanden elke dag hoost, ga je toch niet zonder onderdak door het bos zwerven. Laat me nou een onderdak voor je ter beschikking stellen. Uiteindelijk zei de Boeddha, vooruit dan maar. Zo ontstond het monastieke leven. Maar het was eigenlijk een beetje uit noodzaak geboren. Vervolgens krijg je de institutionalisering. Het boeddhisme wordt een patroon, het kan een comfortzone worden. Dat het boeddhisme iets is waar je je comfortabel in kunt voelen, is juist niet de bedoeling. Dus ook voor de mensen die toevlucht willen nemen, het is dus niet bedoeld om vervolgens een boeddhistisch dak boven je hoofd te hebben. Eindelijk thuisgekomen, mijn ware thuis gevonden hebben. Eindelijk kan ik in mijn comfortzone rusten, want ik heb toevlucht genomen. Nu heb ik een boeddhistische identiteit. Nee, in de zen traditie wordt erg benadrukt dat dat niet is wat het is en dat wordt ook sterk ontmoedigd.

Ik had het over de kompasnaald. Het is iets innerlijks, maar je wordt wel meer op jezelf teruggeworpen. Het verschil is misschien dat je daar echt voor gaat staan. Dat je zegt ok, ik neem dat aan boord. Ik neem dat op me, daar ga ik voor. Dus toevlucht nemen betekent niet onderdak vinden. Heel anders dan in een christelijke kerk. Dus daarom ook dat toevlucht nemen niet een soort gedoopt worden is. Want gedoopt worden, dan ben je dus bij de christelijke familie. Dan ben je echt thuis. Maar toevlucht nemen kan ook iets oncomfortabels zijn op een bepaalde manier, of een bepaalde oncomfortabelheid omarmen. Dat zit ook wel in het christendom, neem je kruis op en volg mij. Dat heeft ook wel allerlei verschillende betekenissen. Maar in de zen traditie wordt echter die dakloosheid enorm benadrukt.

Een kleine vooruit blik op wat we vanaf januari gaan lezen over de zenmeesters na Huineng, de zesde zen patriarch. Zij grijpen allemaal terug op de Platform Soetra en zeggen allemaal, de zuidelijke school dat is waar ik in sta. Er is niemand die zegt ik sta in de noordelijke school. Daarom ook dat je je kan afvragen: “Was er wel zo’n noordelijke school? Want wie waren dat dan?” Maar iedereen zei: “Zuidelijke school, wilde zen, zen in de wildernis.” Het is interessant dat het een soort back to basics is. Terug naar de essentie van het verhaal van prins Siddhartha en de Boeddha, dat in eeuwenlange boeddhistische religie ondergesneeuwd dreigde te raken. Dat het boeddhisme een religieuze traditie werd, met alle valstrikken van dien. Maar dat het dus een terugkeer is naar die oorspronkelijke wildheid en die oorspronkelijke wildernis. Wat we gaan zien als we dan die zenmeesters lezen vanaf januari, dan zien we dat ze allemaal in hun onderricht iets onmogelijks proberen over te dragen. Dat ze allemaal worstelen om iets over te dragen wat je eigenlijk niet kunt overdragen, namelijk mensen wakker schudden. Maar je kunt mensen niet wakker schudden. Je kunt niets zeggen dat mensen doet ontwaken. Dat moet gebeuren, onmiddellijk, niet via een methode. Dat is de paradox dat Chan gaat over iets wat niet onderricht kan worden. Maar als je het niet onderricht, dan mislukt het ook. Dat is het dilemma waar die zenmeesters allemaal mee worstelen. Hier had de noordelijke school geen last van. Die konden gewoon meditatietechnieken aanreiken, hele behulpzame beoefeningen, enzovoort. Ze hadden altijd goed advies. De mensen van de zuidelijke school, die hadden eigenlijk niks te bieden. Die stonden met lege handen omdat ze iets moesten wekken in hun leerlingen dat ze alleen maar konden doen op een wilde manier. Dan krijg je dus die wild en crazy zen die we ook wel uit de verhaaltjes kennen.

Vaak zie je dat Hinton niet een samenhangend verhaal vertelt, maar voortdurend speldenprikken uitdeelt om bepaalde ballonnetjes door te prikken. Dingen die wij denken of menen te weten over waar zen over gaat, dat prikt hij dan even door. Dan denken wij oké, maar hoe zit het dan wel? Dat geeft hij toch niet helemaal prijs. Dat is niet omdat hij dat niet kan of niet wil, maar het is omdat het dus niet past. Want dan is de wildheid weg. Het is hetzelfde als dat je denkt, ik wil de poëzie even goed in kaart brengen en kunnen we dat niet duidelijker opschrijven allemaal? Nee, want dan is het geen poëzie meer. Daar worstelen al die latere Chan meesters ook mee. Hoe druk je iets uit, breng je iets naar buiten, want ze hebben allemaal ook een grote drang om iets wat in hun leeft, over te dragen, naar buiten te brengen. Maar tegelijkertijd, als ze daar gewoon een samenhangend verhaal van maken, dan ontglipt het, dan wordt het gedomesticeerd, dan wordt het noordelijk. Vandaar dat we dan die verhalen krijgen waar zen zo bekend om geworden is en waar van mensen in het Westen al sinds de jaren vijftig dachten: “Wat fantastisch die wilde verhalen van de zenmeester die overal lak aan heeft.” Dus die wildheid sloeg ontzettend aan. Maar zonder dat mensen ook echt die diepere laag daaronder konden vatten. Dan werd het gewoon wildheid om de wildheid. Maar daar gaat het niet om, want er is wel iets dat al die mensen proberen te wekken. In onze beoefening gaat het er ook steeds opnieuw over om iets te wekken. En ook om die wildheid in ons te wekken. Daarbij kan het soms helpen om in de wildernis te zijn. Als je zen verhalen ook terugleest, dan ga je merken hoeveel het gaat over de natuur, het landschap, de bergen, de rivieren en de ervaringen in de natuur. Wij leven nu eenmaal niet in de wildernis. Wij moeten onze eigen wildernis creëren. Wij moeten onze eigen wildernis opzoeken. We moeten uit ons eigen paleis stappen. Wij moeten zelf het bos in gaan. Wat het bos dan is, dat is voor ieder van ons iets anders. Maar waarschijnlijk weten we wel ongeveer waar het bos ligt.

Het verlaten van je comfortzone in je dagelijks leven, hoe doe je dat dan? Dus het eerste is dat je een beetje een gevoel moet zien te krijgen van, waar zit mijn comfortzone eigenlijk? Dat is vaak helemaal niet zo evident. Dat we, als we gewoon naar onszelf kijken, dat we echt kunnen benoemen van waar zit mijn comfortzone? Waar is dat? Dus dat is al een opgave om daar eens over te reflecteren en gewoon te completeren van wat is dat voor mij? Dat betekent niet dat we allemaal letterlijk de stad uit moeten, of letterlijk het bos in. Maar dat we toch moeten onderzoeken van wat is voor mij de wildernis. Wat betekent wildheid voor mij? En dat hoeft niet letterlijk wildheid te zijn. Soms kan het simpelweg betekenen iets nieuws proberen. Zo simpel kan het zijn.

Wij houden in het westen heel erg van puurheid en zuiverheid. We houden niet van rommel. We willen dat het puur en zuiver is, maar de rommel hoort er allemaal bij. Chuang Tzu zegt, de Tao zit in alles, ook in poep en pies. En dat zegt hij met opzet, om mensen van bepaalde ideeën over puurheid te genezen. Want het hele onderscheid tussen puur en niet puur en zuiver en onzuiver, wie bepaalt dat? Want dan kun je zeggen sommige van mijn gedachten, dat zijn onzuivere gedachten. Wat is dat dan? En wie bepaalt dat dan? Dus de nadruk ligt veel meer op omarm het allemaal, puur en niet puur, zuiver en niet zuiver. Ook de modder en ook de rommel en ook de dingen die we zelf misschien toch liever onder het tapijt zouden vegen. Maar omarm het allemaal. Probeer het niet te zuiveren.

Je moet alles omarmen, maar Hisamatsu zegt wel dat je de juiste richting moet ontdekken waarin de geschiedenis zou moeten voortgaan. Aan de ene kant alles omarmen en zwerven, vrij en blij. Dan zou je denken, iedere richting is even goed. Maar dan zegt Hisamatsu er is een andere kant van de medaille. Je zou kunnen zeggen dat is de bodhisattva gelofte. Dat is het verlangen om alle levende wezens te bevrijden, wat dat ook moge betekenen. Dan is dus niet ieder pad even goed. Niet iedere richting die de geschiedenis aanneemt is even goed. Er is wel degelijk iets om je voor in te zetten en voor in te spannen. Dus dat is een spagaat. Aan de ene kant zijn er sommige dingen beter dan andere.Aan de andere kant gaat het erom dat je die houding van zwerven vrij en blij niet verlaat.

Is het dat je vooropgezette ideeën over wat wel en niet goed is moet loslaten? Ja, dat heeft er heel veel mee te maken. Dus dat je niet al van tevoren weet wat de juiste richting is waarin de geschiedenis zou moeten voortgaan. Ik bedoel, er zijn in de politiek mensen zat die zeggen, ik weet wel wat de juiste richting is, maar het hele punt is het pad ontstaat door het te gaan. We zetten een stap, en dan kijken we om ons heen en dan denken we oké, wat is nu de volgende stap? En dat is altijd aarzelend, aftastend. We weten het niet.

Het idee is met onze beoefening en onze bodhisattva praktijk, dat we door steeds gevoeliger te worden en te leren afgestemd te zijn en te resoneren, dat je op een gegeven moment ook herkent in specifieke situaties, dit is nu meer in de flow, het is meer afgestemd en dat leidt dan ook tot betere resultaten. Dus dan is het ook heilzamer zou je kunnen zeggen. Andere dingen, die doe je wel, maar dan denk je achteraf van, het pakt toch niet zo goed uit. Dat is dan toch blijkbaar iets minder heilzaam. Dus niet dat het zondig is of fout, maar gewoon niet zo bekwaam. Dat onderscheid, die gevoeligheid is wel heel belangrijk om te ontwikkelen, want het is niet allemaal om het even. Het maakt wel degelijk uit welke keuzes we maken en wat we besluiten te doen en niet te doen. Alleen, om dat beter te kunnen doen, moeten we ieder vooropgezet idee en iedere strategie steeds weer opnieuw loslaten. Risico nemen om het niet te weten, steeds weer opnieuw, dat is gewoon heel moeilijk. In het nu blijven dus. Dus niet al vanuit een vooropgezet idee van oké, we gaan dit pad volgen en dan komen we bij de goede eindbestemming uit. Maar flexibel blijven en steeds weer ontvankelijk blijven en voelen van wat is nu aan de orde? Het punt is, wat vandaag aan de orde is, is misschien morgen niet aan de orde. Terwijl je zou denken ja, maar als je consequent bent, dan is dat hetzelfde. Maar het is niet altijd consequent, want de context is net wat anders. Dat vraagt dus een bepaalde gevoeligheid en een bepaalde mate van niet weten of een soort bereidheid om niet te weten. Maar we moeten niet verzinken in een soort relativisme van laat 1000 bloemen bloeien en iedereen doet zijn ding. Zolang mensen zelf maar gelukkig zijn is het goed. Nee, want het gaat er wel om de juiste richting te ontdekken waarin de geschiedenis zou moeten voortgaan. Dat is dus niet dat iedereen zijn ding doet, vrijheid blijheid. Nee, er staat wel degelijk ook iets op het spel, namelijk de richting waarin de geschiedenis voortgaat. Dat bepalen we met zijn allen, of we dragen daar met ons allen aan bij en dat is belangrijk. Hisamatsu vond dat dat in de Japanse zen verloren was gegaan en hij drong erop aan om die betrokkenheid, ook dat maatschappelijke engagement, om dat er weer in te brengen.

Het blijft lastig. Dit is inderdaad één van de onmogelijke vragen waar de koans over gaan. Dit is eigenlijk al een koan waar geen eenduidig logisch antwoord op mogelijk is. Er is geen formule die dit oplost. Maar we moeten deze spagaat steeds opnieuw bereid zijn in te gaan en kijken wat het in deze situatie voor ons betekent. Hoe onze geschiedenis in deze situatie in de juiste richting voort zou moeten gaan. Het begint bij onze persoonlijke geschiedenis. Maar het is breder dan dat. Het is de wereld.

Het is zo belangrijk om dat binnen te laten en je toe te staan om erdoor te worden verpletterd. Dus bereid te zijn om ermee te zitten, vanuit het vertrouwen dat onze beoefening kan bijdragen om dit te transformeren of helpen transformeren op een manier die wij zelf ook niet kunnen benoemen. Want menselijkerwijs zijn de opties dan uitgeput. Menselijkerwijs is het een onmogelijke situatie. Dat is precies het punt waar wij de stilte ingaan. Zoals Hisamatsu zegt, de enige koan is eigenlijk: “Wat je ook doet, het werkt niet.” Wat ga jij nu doen? Dat is iets om steeds weer mee te beoefenen. Zeker in deze moeilijke tijden is het dat meer dan ooit.

De liefde is het enige waar je nog naar terug kan. Ik denk ook dat je een heel groot hart moet hebben en heel veel liefde in je hart moet hebben om dit te kunnen toelaten. Want de verleiding is zo groot om je ervoor af te schermen. Je hebt een heel groot hart vol liefde nodig om te zeggen: “Oké, ik ben bereid om dit, deze vermorzeling des hartes, om dat te voelen, om dat te ondergaan.”