28 november 2023

Vandaag gaan we verder met de Chinese Chan en de derde Zen patriarch Seng Ts’an. Daar weten we eigenlijk heel weinig van. Dus dat is ook weer een patriarch die waarschijnlijk achteraf in het rijtje is gezet om het mooi aansluitend te maken zodat je een mooie afstammingslijn hebt. Maar hij heeft wel een heel beroemd geschrift achtergelaten de Hsin Hsin Ming. De Hsin Hsin Ming is een van de beroemdste zen gedichten. Het is een vrij kort gedicht. David Hinton heeft het in zijn geheel opgenomen. Je leest het snel en het is ontzettend vaak vertaald en dat steeds op een andere manier. Dit zie je al in de titel: Hsin Hsin Ming. De eerste twee karakters Hsin en Hsin spreek je allebei hetzelfde uit, maar het zijn verschillende karakters. Ze betekenen iets anders. Ming, dat kun je gewoon vertalen als het lied. Dus dat gaat over de tekst. Maar die eerste twee, Hsin Hsin, hoe moet je dat nou vertalen? De tweede Hsin betekent eigenlijk het hart. Maar omdat men er in het oude China vanuit ging dat men denkt met het hart, wordt het ook vaak vertaald met geest of zelfs met bewustzijn. Want je bewustzijn, je denken, dat zit in je hart en niet in je hoofd. Dus daarom wordt Hsin vaak vertaald met geest of met mind. Die eerste Hsin wordt vaak vertaald met vertrouwen. Dan wordt het het lied van de geest van vertrouwen. Maar het wordt ook wel eens vertaald met geloof, de geest van geloof.

David Hinton zegt: “Daarmee maak je het eigenlijk te christelijk.” Dat zijn termen uit het christendom die je er dan in legt, maar dat doet het geen recht. Hij heeft een heel verhaal over wat dat karakter Hsin echt betekent. Hsin bestaat uit twee delen. Het is heel visueel. Het ene deel is een mannetje en het andere deel dat zijn de geluiden die uit de mond van het mannetje komen. Dus het heeft te maken met een mannetje dat heel dicht staat bij wat hij zegt. Daarom wordt Hsin ook wel vertaald met oprechtheid, een oprechte geest. Een geest waarbij woorden met daden overeenkomen. Een geest met integriteit, zouden wij misschien zeggen. David Hinton zegt: “Het heeft ook te maken met een ongedifferentieerde geest.” Een ongedifferentieerde geest is een geest die niet gefragmenteerd is of in stukken uiteenvalt. Je zou kunnen zeggen een geest die uit één stuk bestaat. Een geest die niet verstrikt is in woorden en begrippen en concepten en allerlei vormen van onderscheid zoals dit wel en dat niet of voorkeur en afkeer. Dus een geest die daar niet in verstrikt zit, maar die ongedifferentieerd is. Hij vertaalt het dan uiteindelijk als een feitelijke geest. Een geest die heel dicht staat bij wat er daadwerkelijk gaande is. Een geest die in touch is, in contact is, in de flow is.

Er zijn een paar regels die ik met jullie samen wil lezen.
Vanuit onze oorspronkelijke natuur zwerven we over de weg, zonder grenzen, vrij en zorgeloos. Als de geest in de greep is van bezoedelingen (of van gedoe), dan gaat die wildheid, (die wilde zo-heid) verloren en dan zink je in de duisternis. Dan hou je nergens meer van. Nergens meer van houden, nergens meer voor in vuur en vlam kunnen raken, dat doodt de spirit en het houdt dingen op een afstand. Dan trek je je op een hele subtiele manier terug van de dingen, dan doe je een stapje terug.”

Soms denken wij dat mindful zijn precies dat betekent, een stapje terug van de dingen nemen. Niet meteen er mee betrokken zijn, maar dat je eventjes terug stapt. Maar in de Hsin Hsin Ming is een stapje terugnemen juist niet wat je moet doen. Je moet de dingen omarmen en blijven omarmen.

“Hou de dingen niet op een afstandje. Waarom zou je dat doen? Om dit ene voertuig te kunnen beheersen en daar meester over te worden, moet je nooit deze wereld van het stof van de zintuigen weerstaan. Daar moet je nooit weerstand tegen hebben. Weersta nooit de wereld van het stof. Maar keer steeds opnieuw weer terug naar het omarmen van alles en dat zal je steeds opnieuw doen terugkeren naar zuivere verlichting.”

En dan helemaal op het eind wordt gezegd Hsin en Hsin, dus die ongedifferentieerdheid en de geest, dat zijn niet twee verschillende dingen, maar dat is één, dat is non-duaal. Daar is eigenlijk geen verschil tussen. Dus het gaat voortdurend over de ongedifferentieerde geest. Dat is niet alleen maar een geest die in zichzelf ongedifferentieerd is, dus dat je in jezelf niet verstrikt raakt in allemaal concepten en tegenstellingen en dit wel en dat niet, en moet ik nu dit doen of dat doen en allerlei twijfel en oordelen. Het is een geest die daarbuiten weet te blijven, maar die ook vervolgens ongedifferentieerd is ten opzichte van de tienduizend dingen. Dus dat je de dingen kan verwelkomen, kan omarmen, maar ongedifferentieerd, zonder scheiding. Ik was op zoek om daar een andere term voor te vinden om dat nog wat beter te interpreteren.

Ik kwam uit op een woord dat ik al vaker heb gebruikt en dat is resonantie. Een ongedifferentieerde geest is een resonerende geest. Een geest die voortdurend betrokken is, meetrilt, omarmt, in contact is, zich niet afzijdig houdt, maar betrokken is. Toen ik zo uitkwam op dat woordje resonantie en die resonerende geest, dat onze beoefening gaat om het steeds weer opnieuw ontdekken en herontdekken en beoefenen van de resonerende geest, toen dacht ik, dat geeft mij een mooi excuus om een uitstapje te maken naar de actualiteit. Ik heb namelijk van de week een boekje gelezen over resonantie en dat is van de Duitse socioloog Hartmut Rosa. Hartmut Rosa heeft een paar jaar geleden een hele dikke pil geschreven: Resonantie. Dat is zijn grote theorie: resonantie. Dit boekje daarentegen is lekker dun, 76 pagina’s en het heet Democratie vraagt om religie. Dat vond ik zo verbazingwekkend, want ik dacht Hartmut Rosa is een Duitse seculiere socioloog. Ik heb hem nooit kunnen betrappen op dat hij veel enthousiasme had voor religie. Ook in die dikke pil staat heel weinig over religie, maar dit was het verslag van een lezing die hij had gegeven vorig jaar voor een bijeenkomst met Duitse bisschoppen. Rosa’s diagnose van onze tijd, van onze samenleving is, dat onze samenleving een tekort heeft aan resonantie. Dus precies die resonantie waar de Hsin Hsin Ming ook zo veel nadruk op legt. Precies dat soort geest, dat hebben wij niet meer. Dat wordt steeds moeilijker. Hij zegt: “Dat komt door onze samenleving, want die verkeert in een toestand van razende stilstand.” Razende stilstand betekent dat we met zijn allen allemaal steeds harder moeten werken en meer moeten doen om op hetzelfde niveau te blijven, en dat we als samenleving ook steeds meer moeten groeien om de status quo te kunnen handhaven. Je rent je rot en je bent enorm druk bezig en je voelt je onder druk, maar je ziet niet dat het vooruit gaat. Het hoogst haalbare is dat het niet verder achteruit gaat. Hij zegt ook, de vorige generatie, onze ouders, hadden het volste vertrouwen dat als zij zich maar uit de naad werkten, dat hun kinderen het beter zouden krijgen. Maar tegenwoordig zijn ouders allang blij als hun kinderen het net zo goed hebben als zij zelf. Dus het is echt razende stilstand. Hij zegt: “Dat roept in mensen vaak een soort frustratie op en een soort agressie en polarisatie. Het is daarom dat mensen het niet meer kunnen opbrengen om naar elkaar te luisteren of om een redelijk gesprek te voeren. Nee, die ander, die moet meteen zijn mond houden.” Dat komt door die razende stilstand, zegt hij. We moeten wel groeien, want als we niet groeien dan storten dingen in. Dus dat is in het kort zijn analyse. Ik vat het heel kort samen.

Waar ik het met jullie over wil hebben is natuurlijk wat hij aanbeveelt als oplossing: de resonerende geest. We moeten meer leren om de resonerende geest te ontdekken. Een resonerende geest bestaat volgens hem uit vier dingen. Het eerste is dat je weer een soort vermogen ontwikkelt om te luisteren naar de dingen, om je aangesproken te voelen door de dingen, om het appel te ervaren dat dingen, mensen of situaties op je kunnen doen. Dat mensen daar weer oor voor kunnen krijgen. Hij verbindt het ook met het thema van die bisschoppenconferentie: luisteren met je hart. Dat is het eerste, dat je leert horen wat er gaande is en wat voor appèl er op ons wordt gedaan. En dan herhaalt hij een woordgrapje van Bruno Latour. Hartmut Rosa en Bruno Latour konden het altijd goed met elkaar vinden. Bruno Latour heeft het over het Duitse woordje Aufhören wat een dubbele betekenis heeft. Aufhören betekent ophouden of stoppen. Maar je kunt het ook letterlijk vertalen, namelijk omhoog horen. We moeten weer leren omhoog horen. We moeten weer leren luisteren naar wat er misschien wel al dan niet van boven naar ons toe komt. Die ontvankelijkheid, die is nodig. Dat is het eerste element van de resonerende geest, ontvankelijkheid en luisteren.
Het tweede element is het vermogen om niet alleen maar te luisteren en dan te horen, maar het vermogen om respons te geven. Het vermogen om daar iets mee te doen, om dat om te zetten in actie, in handelen. Dat is natuurlijk zeker in onze tijd enorm moeilijk, want alles is zo complex en je ziet wel wat er allemaal misgaat en je voelt wel dat er heel veel nodig is. Maar ja, wat? Niemand weet hoe het moet en niemand weet wat er nodig is. Toch zegt hij, vanuit die resonantie is het nodig om het vermogen te ontwikkelen om respons te geven. Maar dat moet dus een respons zijn vanuit de resonerende geest, niet een soort bedachte respons of een soort planmatige respons, maar een onmiddellijke respons. Dat doet mij denken aan de respons in het verhaal uit de koan over Kuanyin. Hoe bevrijdt Kuanyin alle levende wezens? Als iemand die in zijn slaap reikt naar zijn kussen. Dat soort respons is niet een bewuste respons, maar een vanuit dat alles omarmen.
Het derde aspect van resonerende geest is transformatie. Dus als je je laat raken en je staat jezelf ook toe om respons te geven, dan transformeer je ook. Dan verandert er iets. Dan word je zelf ook anders. Dan blijf je niet dezelfde die je was.
Het vierde element van resonantie noemt hij onbeschikbaarheid. Dat is een beetje een aparte term. Hij heeft ook een boek geschreven dat zo heet: Onbeschikbaarheid. Daarmee bedoelt hij: dat hele proces van resoneren en ook die transformatie is niet op afroep beschikbaar. Dat kun je niet managen, dat kun je niet controleren. Het ligt buiten onze bewuste controle. Het gebeurt of het gebeurt niet. Dus in de resonantie kan er zoiets gebeuren maar het is onbeschikbaar. Het ligt niet voor het grijpen. We kunnen dat niet pakken en controleren en er zeker van zijn: als ik het maar zo en zo doe, dan komt die transformatie. Het vraagt van ons dat we moeten loslaten om te proberen dat beschikbaar te maken. Want het blijft altijd buiten ons vermogen liggen. Het overkomt ons, het gebeurt. Dat is die onbeschikbaarheid. Net zoals ze zeggen, liefde laat zich niet afdwingen, zo kan je ook zeggen, resonantie laat zich niet afdwingen. Er is geen recept voor resonantie. Je kunt alleen maar al die voorwaarden scheppen en steeds weer opnieuw beoefenen en dan kan het gebeuren. Maar er is geen garantie.

Aan het einde van zijn betoog zegt Hartmut Rosa, die resonerende geest, die hebben wij eigenlijk weer nodig om met zijn allen weer naar elkaar te kunnen gaan luisteren en om een gesprek te kunnen gaan voeren, om wat minder boos te worden. Maar hij zegt: “dat kunnen wij niet.” Dat is niet iets wat je met goede voornemens gewoon realiseert. Daarvoor moet je beoefenen. En hij zegt: “Dat is wat religie onze democratie te bieden heeft.” Wij denken: “Ja, maar de ontkerkelijking dan?” De kerken lopen leeg. Wie gelooft er nog? En hij zegt: “Ja, maar dat is juist goed. Dat biedt misschien een nieuwe kans om anders religieus te zijn.” Zoals jullie wel weten spreekt dat mij zeer aan. Dat is precies mijn stokpaardje. We moeten op een andere manier religieus zijn, niet als een geloof, maar als beoefening, als praktijk. Rosa zegt, het is juist in religieuze ruimtes, in kerken of in de zendo, of waar dan ook, waar voorwaarden voor resonantie kunnen worden geschapen. Ook door ritueel, door liturgie en door beoefening.
Religieuze tradities hebben een enorme voorraad aan beoefeningen en rituelen. Dat kan allemaal bijdragen, zodat we dat weer kunnen leren, zodat we dat weer kunnen gaan beoefenen. Dus daar houdt hij een pleidooi voor, om weer gebruik te maken van het arsenaal dat religieuze tradities ons te bieden hebben. Ik denk niet dat hij het over zen heeft. Ik denk dat dat een beetje buiten zijn blikveld ligt. Maar mij raakte het. Dit sluit enorm aan bij de Hsin Hsin Ming. Dit is wat de Hsin Hsin Ming probeert te zeggen. Zenbeoefening gaat over het steeds opnieuw weer beoefenen, cultiveren, faciliteren en terugkeren naar de resonerende, ongedifferentieerde, oprechte geest. En dat wordt in de zentraditie op allerlei manieren verwoord. Soms wordt het als no mind verwoord. Geen geest, lege geest of één geest. Het wordt op allerlei manieren geprobeerd onder woorden te brengen. Maar dat zijn allemaal maar pogingen. Het gaat erom dat het het type geest is dat een andere houding tegenover de dingen weet te realiseren. Dat is niet iets wat je kunt bedenken of je kunt voornemen maar iets wat je steeds weer opnieuw moet laten gebeuren. Steeds weer opnieuw jezelf ruimte geven, toestemming geven om dat te laten gebeuren. Dus het is veel meer een kwestie van andere dingen niet doen dan van iets bepaalds wel doen. Het is meer, steeds als je van jezelf merkt dat je weer een gedifferentieerde geest hebt, want natuurlijk hebben wij ook de gedifferentieerde geest nodig om te functioneren en om keuzes te maken, om toch steeds weer opnieuw die ongedifferentieerde geest mogelijk te maken, om een proces van resonantie op gang te brengen.

Het vraagt om veel vertrouwen en daarom wordt het ook wel vertaald als vertrouwen in de geest. Want een resonerende geest is een vertrouwende geest. Een geest die zich niet hoeft te beschermen. Die zich niet hoeft te verdedigen of schrap te zetten. Dat is iets om ook steeds weer te beoefenen. Steeds weer opnieuw.

De respons is heel belangrijk bij het leren resoneren. Resoneren is meer dan alleen maar ontvankelijkheid cultiveren. Het is meer dan alleen maar een grote container hebben. Het is ook leren reageren, leren respons geven. Want als je meer ontvankelijk wordt, dan word je misschien wel overspoeld met allerlei soorten appèl die er door allerlei mensen of dingen vanuit je omgeving op je worden gedaan. Het komt allemaal binnen. Of ook misschien wel van alles van binnen in jou. Allerlei emoties, allerlei gedachten. Waar ga je op in en wat negeer je en waarom? Dat hoort ook bij leren resoneren. Dat vond ik het mooie van Hartmut Rosa. Hij zegt, resoneren is niet alleen maar in harmonie zijn. Dat vond ik wel mooi, want dat is inderdaad de associatie met “het resoneert”, dat het harmonieus is. Maar soms schuurt het ook en dat vraagt dan ook om een respons. Dat is ook resoneren. Dan ben je ook trouw aan wat zich voordoet. Soms is er een appèl om iets niet mooi te vinden. Dus resoneren is niet alleen maar harmonie en alles is mooi en één zijn met alles. Nee, het is ook keuzes maken of een duidelijke respons hebben.

Het is zo enorm belangrijk om het zelf ook niet te weten en dus ook niet zo zeker te weten dat die andere mensen het allemaal mis hebben. Ik bedoel, niet weten is niet weten. Als je het echt niet weet, dan weet je ook niet dat andere mensen het helemaal mis hebben. Maar dat is heel moeilijk.

Het is steeds weer opnieuw een beoefening en steeds weer opnieuw ook daarnaar teruggaan en steeds weer opnieuw je dat blijven realiseren hoe enorm veel er op je afkomt en waar reageer ik eigenlijk op en waarom? Wat triggert mij en waarom? Maar zonder te weten of het goed of fout is. Dus dat niet weten betekent ook, je gaat het steeds meer zien en ook aan den lijve ervaren, en daarmee groeit er een vermogen in jou om respons te geven. Maar wij hebben vaak de neiging te denken je moet eerst weten hoe het zit en dan kun je het toepassen met een respons. Dus eerst theorie en dan praktijk. Maar resoneren werkt niet zo. Het is praktijk. Het is cultiveren van een vermogen dat niet rust op theoretische kennis.

Dat is wat in de taoïstische traditie wordt bedoeld met spontaniteit. De spontaniteit betekent bij ons vaak doen waar je zin in hebt of gewoon het volgen van al je impulsen. Maar dit komt veel dichter bij spontaniteit. Dat wil zeggen niet met voorbedachten rade, maar wel gedisciplineerd, een beoefende spontaniteit. Dus niet de spontaniteit die all over the place is.

Resonantie is iets dat organisch groeit en dat betekent, je kunt het eigenlijk niet ontwikkelen. Je kunt alleen maar steeds weer opnieuw de voorwaarden scheppen, zodat het zich ontwikkelt, zodat het groeit. Zoals je je tuintje kan bemesten en plantjes beschermen. Maar je kunt ze niet rechtstreeks laten groeien. Dit kun je ook niet rechtstreeks ontwikkelen. Ik vind het woordje ontwikkelen wel mooi, want het betekent dat je de wikkels eraf haalt zodat het minder in-gewikkeld wordt. Dat vind ik wel een mooie metafoor. Wat je kan doen is de hindernissen weghalen. Je kunt het ont-wikkelen, je kunt de wikkels waarin het is ingezwachteld meer en meer verwijderen, zodat er iets in jou kan groeien, maar dat gebeurt heel organisch en daar heb je ook geen grip en geen vat op. Dat moet je eigenlijk ook met rust laten. Daar moet je vanaf blijven. Daarom is dit vertrouwen in de geest weer zo belangrijk. Want je moet maar vertrouwen dat het zich ontwikkelt, dat het groeit. Maar je hebt geen zekerheid.

Hoe verhoudt zo’n houding zich tot de wetenschap dat we ook geneigd zijn om domme dingen te doen? Of zelfs destructief te zijn? Daarom is het belangrijk om dat eerste, dat luisteren met het hart, om dat te ontwikkelen. Dat is heel belangrijk. Eigenlijk gaan al die vier momenten van resonantie samen. Het zijn eigenlijk vier componenten van resonantie. Want meestal, als we domme dingen doen, is het omdat we niet luisteren naar ons hart, het luisteren ontbreekt. We zijn niet afgestemd. We horen niet goed waar die ander is of wat de situatie echt inhoudt. Het wordt allemaal overstemd door wat er in ons gebeurt, door onze eigen meningen en oordelen over waar iemand is of wat er gebeurt of wat deze situatie nodig heeft, en dan gaan we zelf aan de slag. Dan merken we vaak achteraf van oh, dat was misschien toch niet helemaal het meest slimme om te doen. Dat moeten we dan ook accepteren. Dus we moeten ook steeds opnieuw accepteren en verdragen dat het mislukt. Dat we ernaast zitten. Dat we de plank misslaan. Want het kan je ook helpen om wat onzekerder te worden op een goede manier. Er is een goede en slechte onzekerheid, maar onzekerheid op zich is heel goed. Iemand met te veel zekerheid vanuit een hele stellige overtuiging is vaak niet zo behulpzaam. Het is juist een soort onzekerheid van: “Nou ja, ik weet het niet helemaal zeker. Het zou ook kunnen dat het anders moet.” Dat is vaak veel belangrijker, ook omdat je weet dat je ernaast kan zitten. Dat helpt je ook om onzeker te blijven. Daarmee houd je het open.

Hinton vertaalt dat eerste karakter hsin ook als een soort empirische feitelijkheid waar je mee in overeenstemming bent. Dus je kunt het ook vertalen met helder zien of duidelijk in touch zijn met wat er feitelijk aan de hand is. Dat vind ik wel een verrassende nadruk eigenlijk. Maar wij denken meteen aan wetenschap. Wij denken aan objectieve feiten. Maar er zijn ook subjectieve feiten waar Bruno Latour veel over zegt. Maar feitelijkheid betekent een enorm ontzag en respect voor wat er is. In plaats van wat we zouden willen, hoe het is of wat er zou moeten zijn, maar gewoon de feitelijkheid. Dit is er, dit is gebeurd, dit is nu gaande en om ons daarvoor niet af te sluiten. Ook als de feiten soms bijna ondraaglijk zijn. Dus een groot ontzag en respect voor de feitelijkheid. Dat hoort ook bij dat luisteren. Dat je blijft luisteren naar wat er aan de hand is, wat er precies gebeurt. Alles is altijd nieuw en ongekend in die zin dat we soms denken dat wij wel weten wat er aan de hand is, maar het kan toch altijd ook net even anders liggen. Dus soms is er misschien de verleiding om je toch een beetje af te sluiten. Ik heb zelf soms de verleiding om te denken, ik ga even niet kijken naar het nieuws of ik ga even niet de ontwikkelingen volgen, want dat is alleen maar deprimerend. En om dan toch te zeggen ja maar ik blijf toch nieuwsgierig. Ik blijf het toch volgen want misschien zit het wel heel anders dan dat ik denk dat het zit.