5 december 2023

Bijna voor het eerst gaan we het hebben over een zen tekst. We hebben veel taoïstische teksten en denkers besproken. We hebben het over Bodhidharma en de Hsin Hsin Ming, een zen tekst, gehad. Vandaag de Hart Soetra, de beroemdste zen soetra, die in het Westen zo bekend is geworden en die overal wordt gereciteerd. De tekst waarvan we allemaal voelen dat die een beetje de essentie van zen uitdrukt.
De Prajnaparamita Hart Soetra zoals die heet, gaat dus over prajnaparamita: de volkomen wijsheid of het volmaakte inzicht. Dat vermaakte inzicht, zo hebben wij altijd gehoord, begrepen en gelezen, heeft te maken met begrijpen dat de dingen leeg zijn. De Hart Soetra gaat over leegte. Vorm is leegte en leegte is vorm. Verder is alles zo ongeveer leeg. Ook alle boeddhistische leringen zijn allemaal leeg. Hinton zegt, de Hart Soetra is waarschijnlijk zo ongeveer 650 n. Chr. geschreven, maar het is onduidelijk of het een Indiase tekst is die vertaald is naar het Chinees of een gewone Chinese tekst. Want natuurlijk deden ze altijd alsof teksten vertalingen waren van oude, eerbiedwaardige teksten uit het Sanskriet, want dat geeft veel meer aanzien. Maar als je kijkt naar de inhoud van de tekst, naar de filosofie erachter, dan zegt Hinton dat het wel heel Chinees is en heel erg in het verlengde staat van waar wij het over hebben gehad.

Het eerste dat daarbij opvalt is, waarom heet het eigenlijk Hart Soetra? Dat vinden we zo vanzelfsprekend. Maar het gaat weer om dat Chinese karakter hsin dat we vorige week ook zijn tegengekomen, dat altijd wordt vertaald met geest. Vorige week spraken we over vertrouwende geest, resonerende geest of oprechte geest. Dus hsin wordt altijd met geest vertaald en nu opeens wordt het met hart vertaald, dus dat is eigenlijk wel gek. Nu is het wel zo in het Chinese denken dat de geest ook gevoelens en emoties omvat. Dus je kunt zeggen, in het Chinees denk je met je hart en voel je met je hart, dus dat is de zetel van het bewustzijn. Maar waarom nu opeens hart gebruiken? Dat is iets dat op een gegeven moment zo ontstaan is toen zen naar het westen is gekomen om het met hart te vertalen. Maar eigenlijk is het gewoon de Geest Soetra. Die soetra gaat ook over de geest en over met wat voor soort geest we onze beoefening doen. Want het is een geest die is verbonden met prajnaparamita. Maar wat is dat dan voor geest waar we mee moeten beoefenen? Hier komen we op een heel duidelijk onderscheid tussen het Indiase denken en het Chinese denken.

Ik heb al vaker gezegd, er is een enorm verschil tussen India en China. In het westen is dat heel vaak op één hoop gegooid. Dan hebben mensen het over het Oosterse denken, of Oosterse spiritualiteit of filosofie, maar dan vergeten ze dat China en India allebei Oost zijn. Het verschil tussen China en India is groter dan het verschil tussen India en het Westen. De Indiase filosofie lijkt nog een beetje op de westerse filosofie, op de Griekse filosofie, ook omdat Grieks en Sanskriet deel uitmaken van dezelfde taalfamilie. Dus dat is een vergelijkbare grammatica, manier van denken en benadering van de werkelijkheid. Maar de Chinese benadering is echt totaal anders met ook een andere taalfamilie, en Chinees is een beeldtaal. Die radicale andersheid schuiven we een beetje onder het tapijt door het gewoon maar met India op één hoop te gooien. Er is dus een wereld van verschil tussen het Indiase en het Chinese boeddhisme, ook qua interpretatie van kernbegrippen. Sunyata is daar een goed voorbeeld van. De Indiase betekenis van dat begrip luidt: de dingen hebben geen eigen wezen. De dingen bestaan eigenlijk niet echt. Wij projecteren van alles op de dingen, maar eigenlijk bestaan ze niet op die manier.

Zeker toen het boeddhisme in de negentiende eeuw naar het Westen kwam, het Indiase boeddhisme, werd dat begrip sunyata vertaald als leegte. Dit werd heel erg opgevat als een soort nihilisme. Überhaupt werd het boeddhisme als een soort bedreigend nihilisme gezien: dat alles maar niets was en dat alles leeg was en dat de dingen ook niet echt bestonden en dat op de een of andere manier de dingen illusies zijn. Dat wij in het bestaan van de dingen geloven, terwijl ze eigenlijk niet echt bestaan. Dat het maar een illusie is, dat het maar schijn is, dat het niet de echte werkelijkheid is, maar dat het de schijnwerkelijkheid is. Dit thema van schijn en wezen, echt en niet echt is een heel bekend thema bij ons, al vanaf de Grieken. Wat is er nu echt? Maar ook in India is er datdat beroemde voorbeeld van het stuk touw dat je ziet liggen waarvan je denkt dat het een slang is en dan ben je daar bang voor. Maar als je gaat zien dat het niet een slang is, maar dat jouw geest dat erop projecteert, hoef je er ook niet meer bang voor te zijn. Dan kun je erdoorheen kijken, door de illusie van een slang.

In de Indiase filosofie speelt het begrip illusie, maya een grote rol. De dingen zijn maya, het is allemaal maar een spel van schijn. Het is niet echt, het is niet substantieel. Het idee dat je daarbij hebt is dan dat verlichting betekent dat je op de een of andere manier door die schijn weet heen te kijken. Dat je door de illusie heen weet te breken, dat je van de illusie vrij wordt en dat je de dingen gaat zien zoals ze echt zijn. Het lijkt een slang, maar het is gewoon een touw. Je ziet het zoals het echt is.

In het Indiase boeddhisme, in de abhidharma, staan ook boeken vol geschreven over systemen van hoe de werkelijkheid echt in elkaar zit, namelijk als een verzameling van dharma’s die voortdurend opkomen en weer verdwijnen. Wij projecteren daar onvergankelijkheid in alsof het blijft bestaan. Maar eigenlijk is het allemaal vergankelijk en niet zelf. Dat wordt ook aangeduid met dat begrip sunyata. Het is niet wat het lijkt. Het lijkt één ding, maar het is iets anders. Dus achter de schone schijn van de dingen ligt de ultieme werkelijkheid zoals die echt is. Leegte betekent dat je door die schijn, illusie heen gaat prikken.

In het Chinese denken, ook buiten het boeddhisme, kunnen ze daar helemaal niks mee. Het hele onderscheid tussen illusie en werkelijkheid, tussen schijn en wezen, tussen hoe de dingen lijken en hoe ze zijn, daar kunnen ze niks mee. What you see is what you get. De tienduizend dingen zijn gewoon de tienduizend dingen. Daar zit niks achter, onder, boven of voorbij. Niks van hoe het is los van onze interpretatie, hoe het op zichzelf is, of het verschil tussen de wereld volgens mijn interpretatie en de wereld zoals hij echt is. Al dat soort dingen waar wij in het Westen en ook in India enorm veel boeken over schrijven en soetra’s over schrijven, dat is niet van belang. In China zijn ze gewoon heel nuchter. De tienduizend dingen zijn gewoon de tienduizend dingen. Die doen hun dansje. Daar zit niks bij van illusie of dat je daar doorheen moet breken of dat je daarachter moet kijken of verder moet kijken dan de tienduizend dingen. Het is wat het is.

Sunyata wordt in het Chinees vertaald met kong. Kong betekent leegte, maar het betekent ook openheid. Het betekent grenzeloze openheid. Het wordt ook gebruikt om de open lucht aan te duiden. Dus dat betekent ook een soort oneindige mogelijkheid, een openheid, niet ingeperkt zijn. In de Hart Soetra waar wordt gezegd dat alles leeg is, daar wordt dat leeg zijn ook heel erg in verband gebracht met wu, en dat zijn we al tegengekomen. Wu is de aanduiding van het weefsel van de Tao, de generatieve bron van de hele werkelijkheid. Er zit een dubbelzinnigheid in het begrip wu, want het betekent ook “niet”. In die Chinese teksten klinkt dat allebei mee. Het betekent “niet” en het betekent ook “wu”. Dus als we kijken naar die beroemde zin uit de Hart Soetra: Vorm is leegte en leegte is vorm. Vvorm is niet verschillend van leegte. Leegte is niet verschillend van vorm. Dat klinkt als een hele filosofische uitspraak. Heel abstract ook. Maar de Chinese taal is helemaal niet abstract. Die is heel concreet. Het karakter voor vorm betekent in het Chinees ook mooie dingen, aantrekkelijke dingen, verleidelijke dingen. Dus vorm is leegte vertaalt Hinton als: deze prachtige wereld van dingen is niet verschillend van leegte. Dat geeft een heel ander gevoel dan vorm is leegte en leegte is vorm. Vorm is leegte en leegte is vorm klinkt heel diepzinnig, zelfs als je niet precies weet hoe je het moet begrijpen. De Chinese interpretatie is eigenlijk heel simpel. Deze prachtige, mooie wereld van dingen is niets anders dan leegte, dan grenzeloze openheid. Dat is iets heel positiefs. Dat is iets heel bevestigends dat de wereld van de tienduizend dingen prachtig is en altijd verbonden met die grenzeloze openheid. Dat de wereld eigenlijk altijd grenzeloos open is, vol van mogelijkheid. Daarom ook, zoals we vorige week zagen, dat we steeds lezen: steeds weer opnieuw de tienduizend dingen omarmen. Want ze zijn mooi, ze zijn ook prachtig.

Er zit helemaal niks in van, wees toch een beetje op je hoede met die wereld want die is illusie. Laat je niet inpakken door de wereld en zorg dat je even een stapje terug doet en op je hoede blijft. Want er is iets niet helemaal in de haak met de wereld. Het klopt niet helemaal. Het is niet helemaal te vertrouwen. Maar dit is precies de omgekeerde boodschap. De tienduizend dingen zijn te vertrouwen. Vertrouw het nou maar. Het probleem zit hem juist in een geest die niet vertrouwt, die afstand schept, die zich op een afstandje houdt en dan zichzelf daarbuiten plaatst en die ook de dingen gaat beschouwen alsof ze op zichzelf bestaan. Alsof ze als het ware buiten het web hun eigen bestaan hebben. Maar dat hebben ze nooit, want ze bestaan altijd in onderlinge verbondenheid. Ze zijn altijd ingebed in dat weefsel. Ze maken altijd deel uit van het organische weefsel. Een geest die niet vertrouwt, dat is een geest die met concepten werkt, met scheidingen werkt, die het logisch probeert te analyseren en die het ook met taal en allerlei begrippen uit elkaar trekt. Dan maak je dat weefsel stuk, dan zijn de dingen niet meer verbonden. Dan zijn ze niet leeg meer. Dan doe je ze eigenlijk een beetje geweld aan.

De kunst is om dat steeds niet te doen en steeds opnieuw de dingen te omarmen omdat ze deel uitmaken van het weefsel. Wij maken ook deel uit van het weefsel. Ik heb toevallig gisteren voor mijn studenten nog een heel verhaal gehouden over dat autonome ik dat in het Westen sinds Descartes zo ontzettend is benadrukt. Dat autonome ik dat losstaat van de wereld, dat zich onafhankelijk kan opstellen van de wereld, en vervolgens de wereld in beeld kan krijgen en daar controle over en grip op kan hebben en dan de wereld kan interpreteren. Maar dat zogenaamde autonome ik is zelf ook al een interpretatie. Dus wat ik ik noem, zijn eigenlijk ook al die tienduizend dingen die hun dansje in mij doen, dus omarm het. Bij ons in het Westen wordt spiritualiteit soms gezien als een soort burgeroorlog met het ik of een soort strijd tegen het ik. Maar vanuit een Chinees perspectief is dat onzinnig. Je moet het ik helemaal omarmen, want het ik is altijd in verbinding, het is iets organisch. Dus dat kun je ook niet uitroeien als een soort onkruid. Daar gaat het ook helemaal niet om. Waar het alleen maar om gaat is dat wij een verkeerde manier van bewustzijn hebben aangeleerd, die bewustzijn associeert met begrippen en werken met onderscheidingen, de wereld willen controleren en grip krijgen op de wereld en onszelf. Daarmee doen we de tienduizend dingen en onszelf geweld aan. Dat is eigenlijk wat onwetendheid is. Dat je de dingen en jezelf voortdurend geweld aandoet door het organische karakter, de verbondenheid te ontkennen of daar blind voor te zijn. Beoefening is dan niet de strijd aangaan met jezelf of met je onwetendheid, maar is steeds weer opnieuw vanuit vertrouwen de tienduizend dingen omarmen. Omdat je ziet dat ze leeg zijn. Maar leeg zijn betekent dan: ze zijn oké. Ze zijn open, je bent er niet van gescheiden. We zijn er altijd mee verbonden, want wij staan in hetzelfde veld als die dingen. Ze zijn niet vreemd aan ons. Dus eigenlijk zegt dat, we hoeven niet bang te zijn voor de wereld. We mogen er instappen, het omarmen, erin duiken.

Dat cultiveren is een ander type geest cultiveren, een ander type bewustzijn cultiveren. Dat is de geest van prajnaparamita. Prajnaparamita kan je vertalen als de vervolmaking van wijsheid, maar je kunt het ook vertalen met voorbij wijsheid. Een type geest, of bewustzijn dat voorbij wijsheid is, voorbij het idee van onwetendheid en wijsheid. Die daar niet meer mee bezig is. Dat is prajnaparamita. Het mooie is, zegt Hinton, dat Prajnaparamita in China ook wordt gezien als een godin, als de moeder van alle boeddha’s waar alle boeddha’s uit voortkomen. Dus een geest van prajnaparamita is ook een geest waarin je nauw verbonden bent met en je toewijdt aan Prajnaparamita, aan de godin. Dus het is ook iets heel devotioneels. Je neemt je toevlucht tot Prajnaparamita. Je gaat de stroom van Prajnaparamita binnen.

Zo begint de Hart Soetra: dat bodhisattva Kuanyin de stroom binnen gaat van Prajnaparamita. Eigenlijk betekent dat dat ze resoneert met die godin. Zo kan je het ook lezen. Het is niet alleen maar een bepaalde toestand van wijsheid, voorbij wijsheid, maar het resoneren met de godin Prajnaparamita. Dus deze wereld is prachtig en we hoeven niet voorbij deze wereld. Bevrijding zit niet ergens in een andere wereld of in de uiteindelijke werkelijkheid of de dingen zoals ze echt zijn. Nee, precies in wat we elke dag tegenkomen in ons leven, in de omstandigheden van het leven, de mensen van ons leven, daar zit de bevrijding in. We hoeven het niet ergens anders te zoeken.

Ik vind het zo interessant dat de Hart Soetra op deze manier naar het Westen is gekomen en dat we daar eigenlijk pas nu, na 150 jaar, aan toe zijn om te kijken van wat staat er eigenlijk. Dat komt natuurlijk ook door hoe de Japanse vertalers hebben geprobeerd om aan te sluiten bij de behoefte van het Westen. Wij in het Westen houden van abstracte filosofie en metafysica, dus leegte vinden wij prachtig. Dus het is heel begrijpelijk dat je de vertaling altijd probeert af te stemmen op de behoeften van een cultuur.

Maar eigenlijk was die vertaling dus afgestemd op onze westerse behoeften. Dat heb ik dus wel vaker meegemaakt. Dan kom je iets tegen uit een niet westerse cultuur en dan denk je van oh, wat diepzinnig en wat exotisch. Maar wat je dan eigenlijk ziet is in een soort lachspiegel dat je jezelf ziet, maar dan een beetje verwrongen en een beetje vertekend. Dan denk je oh, wat interessant en oh, dat is heel anders. Maar eigenlijk is het een weerspiegeling van wie je zelf bent en waar je zelf mee bezig bent. Je eigen behoeften en je eigen vragen. Vertalers spelen daar dan op in. Die leveren op bestelling, omdat ze ook willen dat zo’n tekst begrepen wordt en weerklank vindt. Ik vind het zo mooi dat Hinton dus een heel ander zicht opent op die tekst, waardoor het opeens ook echt een positieve lading krijgt en dat het begrip illusie daar eigenlijk een beetje uit verdwijnt. Net als ieder besef van dat er eigenlijk iets mis is met de dingen, iets niet in orde is met de wereld. Nee, de tienduizend dingen zijn prachtig en die zijn het waard om te omarmen. En dat kunnen we des te beter doen als we herkennen dat ze leeg zijn. En dat betekent niet dat ze illusie zijn, maar dat ze in verbinding staan met de Tao en met wu. Met dat weefsel.

Als het ik niet weg hoeft, daarom spreek ik dan over “steeds minder ik” in de meditatie instructie? Dat betekent niet dat je systematisch moet gaan proberen om de hoeveelheid ik te reduceren in jezelf of dat je je ik moet proberen af te breken. Maar het betekent dat, als we zo de stilte ingaan zonder iets te verbeteren en zonder iets te veranderen, dat dan die hele notie van ik, dat hele besef van ik, op een hele natuurlijke wijze steeds meer wegvalt. Niet omdat wij dat nastreven of proberen. Maar die hele preoccupatie met, wat ervaar ik nu? Wat denk ik nu? Hoe gaat het nu met mijn meditatie? Die voortdurende poging om het allemaal te managen vanuit ik achter het stuur, we laten het toe dat dat steeds meer wegzakt en verzacht en vermindert. Dus het is eigenlijk steeds minder beleving van onze ervaring als ik.

Bij de Chinese boeddhisten is een ik altijd verbonden met de tienduizend dingen. Dus het ik is eigenlijk iets heel natuurlijks, maar niet iets om je heel erg sterk op te focussen. Het hoeft niet in het centrum te staan, het maakt gewoon deel uit van het weefsel, sterker nog, het ik is relationeel van aard. Al onze verbindingen, dat tezamen, dat is ons ik. Maar er is geen entiteit of een substantie, een kern in ons die ik zegt. Het is iets heel organisch, maar dat hoeft niet zo de nadruk te krijgen. Dus het is veel meer een kwestie van het kan wat wegzakken en gewoon zijn juiste plek innemen te midden van de tienduizend dingen.

Er is nooit zo een groot verschil geweest tussen China en Japan. Eind negentiende eeuw, dat was een beetje het einde van de samoerai. Japan bleek militair inferieur aan het Westen, toen besefte de Japanse regering, wij moeten moderniseren. Toen kwam het boeddhisme onder vuur te liggen want dat boeddhisme, dat is nou echt niet modern en het is een soort middeleeuws bijgeloof en dat hebben we niet nodig. Toen moest het boeddhisme eigenlijk bewijzen dat het ook wel degelijk bij de tijd was en relevant was. Dus toen is het Japanse boeddhisme zichzelf heel erg gaan moderniseren en ook een beetje gaan afstemmen op het Westen. Dus toen die vertalingen van de zen naar het westen kwamen, werd dat ook gedaan op een hele moderne manier, in aansluiting op het westen, met Suzuki die dat deed. Want dat was ook een manier om aanzien te verwerven voor het boeddhisme thuis in Japan. In het Westen riep het boeddhisme namelijk veel interesse op, dus dan moest het wel relevant en bij de tijd zijn. Dus dit werd door de Japanse missionarissen gebruikt om thuis meer aanzien te krijgen en daarom dat die vertalingen zo afgestemd zijn op de moderniteit. Maar pas eind negentiende eeuw is dat proces in gang gezet. Daarvoor was dat niet zo. Dus als je kijkt bij Dogen bijvoorbeeld. Die heeft dat helemaal niet. Die staat eigenlijk veel dichter bij de Chinese interpretatie en ook de Dogen interpretaties staan ook nog veel dichter bij dat Chinese. Het is pas sinds eind negentiende eeuw dat er een soort zen modernisme is ontstaan. Dus dat is zen in een moderne verpakking.

Thich Nhat Hanh zegt: Enlightenment is when the wave realize it’s the ocean. Dat past heel goed bij de Chinese manier van denken dat de wave zijn onderlinge verbondenheid met de rest van de oceaan realiseert. Dat is de verlichting. Dus dat is een mooie manier van zeggen en daarmee is Thich Nhat Hanh veel dichter bij dat Chinese denken dan bij dat zen modernisme. We kunnen dus ook zeggen we zijn het weefsel, want wij zijn ook goed en mooi en wij zijn het waard om omarmd te worden.

Het Chinese denken over het kwaad is heel anders dan het westerse denken omdat er niet iets bij wordt gehaald dat buiten ons staat, zoals God of de duivel, of het kwaad dat als een soort tegenstander achter de dingen schuilgaat. Dus het kwaad bestaat ook niet in die zin. Maar wij maken met zijn allen de wereld van de tienduizend dingen. Daarom dat we ook steeds Hisamatsu reciteren omdat het er dus om gaat dat wij met zijn allen samen bepalen hoe we de juiste weg vinden om de geschiedenis te laten voortgaan. Wij doen dat. Wij zijn die tienduizend dingen. Dus er is niet zoiets als het kwaad. Het is het resultaat van al onze inspanningen en van alle mensen. Daarom is het ook zo belangrijk dat wij die inspanning blijven doen en blijven bouwen en ons inzetten voor de juiste richting waarin de geschiedenis zou moeten voortgaan. Zonder onderscheid naar man of vrouw zijn. Dat is gewoon enorm belangrijk. Dat is ook voor Hisamatsu wat het bodhisattvaschap is. Dat we allemaal proberen om daar ons steentje aan bij te dragen. Want er is niet zoiets als het kwaad. Er is ook niet zoiets als de wereldeconomie of het klimaat. Dat is gewoon de optelsom van al die individuele beslissingen. Die maken tezamen de wereldeconomie of het klimaat. En zo is het ook met de maatschappij. Het is wat wij allemaal doen. Heel praktisch eigenlijk.